Mijn kind is niet lui

Mijn kind is niet lui

Mijn kind is niet lui, hij heeft een hechtingsstoornis. Het is geen lichamelijke stoornis, maar dat neemt niet weg dat het zwaar is om er dagelijks mee te leven. Mijn kind is vaak doodmoe, ook al zal hij je dat niet vertellen.

Door de stoornis leeft mijn kind regelmatig in zijn lagere breindelen. Dat betekent dat hij snel getriggerd is waardoor hij stress krijgt wat ervoor zorgt dat hij minder connectie heeft met zijn mensenbrein. Door deze triggers komt hij in zijn overlevingsmechanismen; vechten, vluchten, bevriezen, of onderwerpen. Ook al zien wij de omgeving als veilig, slechts een zucht, of een blik, kan mijn kind in staat van overleving brengen. Hierdoor is hij hyperalert. Maar wat betekent dat?

Dat betekent dat mijn kind op school niet alleen moet opletten op de leerkracht, maar dat hij ook alle andere kinderen in de klas moet volgen, het verkeer dat langs de school gaat, de geluiden vanuit de andere klassen, het lawaai op de gang en het knipperende licht van de tl-buis. Het is erg moeilijk voor hem om zich daarvoor af te sluiten, omdat alles om hem heen potentieel gevaar kan betekenen. Dus als mijn kind wegdroomt, of als hij niet weet bij welke opdracht jullie zijn gebleven, of wanneer hij uit frustratie de klas uitrent, begrijp dan dat dit geen onwil is, het is onmacht.

Dat betekent dat op straat, in het drukke verkeer, mijn kind minder goed het overzicht kan houden. Hij redt zich wel, maar dat op het oog roekeloze gedrag, kan betekenen dat het langsrazende verkeer hem triggert. Dat hij niet goed weet wat hij moet doen als alles om hem heen maar niet tot stilstand komt. En ook hier geldt dat hij de andere mensen in de gaten moet houden. Je weet maar nooit, niemand is te vertrouwen.

Dat betekent dat hij altijd van alles en iedereen op de hoogte moet zijn. Hij wil weten wat ik doe, de hele dag door. Hij moet weten wat zijn vrienden doen. En als er ruzie is, dan staat hij daar als eerste bij. Voor een ander kan het lijken op bemoeizucht, maar mijn kind is aan het overleven. Hij moet wel weten wat iedereen doet, want stel je voor dat het gevaarlijk wordt, dan moet je jezelf kunnen redden.

Dat betekent dat ik niks kan verbergen voor mijn kind. Hoe goed ik ook mijn best doe, altijd lijkt hij exact te weten waar ik mijn bankpasjes bewaar, waar de sleutel van de kluis ligt, wat de pincode van mijn mobiel is en waar ik mijn reep chocola bewaar. Zijn ogen en oren lijken op hooggevoelige antennes die alles detecteren. Niks ontgaat hem.

Dat betekent dat hij ’s avonds in bed nog steeds niet tot rust komt. Dat zijn brein doordraaft. Ook zijn stressniveau zal hoger zijn dan bij een kind zonder een hechtingsstoornis wat nog een reden is waarom slapen niet gemakkelijk gaat. Door het hogere cortisolgehalte komt er geen rust in zijn lijf.

En dan wordt het nacht. Een tijd waarop ons huis stil en in diepe rust is. Voor mijn kind is kan dit eng zijn, want stel dat wij hem vergeten zijn? Wat als we ons niet meer herinneren dat hij in zijn kamertje ligt, helemaal alleen? En ook nu moet hij iedereen in de gaten houden, hij moet ervoor zorgen dat er niks gebeurt. Een zware taak voor zo’n klein lichaam, maar hij kan het niet loslaten. Alleen zeggen dat het veilig is, dat is niet voldoende. Zeggen dat ik op hem let, dat neemt zijn zorgen niet weg.

 

Een hechtingsstoornis is geen aanstellerij, het is niet iets waar hij overheen groeit. Het is keihard werken en daarvan wordt mijn kind doodmoe.

Reactie schrijven

Commentaren: 0