Trauma's en school

Trauma's en school

Wanneer een kind een hechtingsstoornis heeft, kan dat komen doordat hij een trauma heeft opgelopen. Dit is de reden waarom hechtingsstoornissen dan ook in een adem met vroegkinderlijk trauma wordt genoemd.

 

Dit trauma kan verschillende oorzaken hebben:

-langdurige ziekenhuisopname;

-depressie of ziekte bij de moeder;

-couveusebaby’s;

-ziekte bij het kind;

-verlies van een van de ouders;

-opgroeien in een onveilige situatie;

-pleeg- en adoptiekinderen.

 

De gevolgen van vroegkinderlijk trauma en een hechtingsstoornis beperken zich niet alleen tot het kind en de thuissituatie, maar iedereen rondom het kind is hierbij betrokken. School is zo’n plaats waar het kind relatief veel uren per week doorbrengt en daarom is het belangrijk dat ook de school op de  hoogte is van wat vroegkinderlijk trauma en hechtingsproblematiek met een kind doet en hoe het te herkennen is.

 

Een kind dat heftige gebeurtenissen heeft meegemaakt in zijn leven, zal daar niet zo gemakkelijk over praten. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen:

-een enorm schaamtegevoel;

-angst voor overweldigende emoties;

-het trauma vond plaats op het moment in het leven dat het kind nog niet kon praten;

-het deel van de hersenen waar het trauma wordt opgeslagen, heeft geen toegang tot taal.

 

Door open te staan voor deze vroegkinderlijke trauma’s en hechtingsproblematiek kan het kind geholpen worden en kan voorkomen worden dat het kind een verkeerde diagnose krijgt zoals: ADHD, ODD, of ADD.

 

Wat merk je ervan op school?

 

Kinderen met een hechtingsstoornis hebben grote moeite met het kunnen vertrouwen van een volwassene. Ook al laat je keer op keer zien dat je te vertrouwen bent het zal je nauwelijks en vaak zelfs helemaal niet lukken om dit te overwinnen. Hij zal niet om hulp vragen bij jou. Ook al heeft hij de grootste moeite met een opdracht, ook al loopt hij compleet vast. Hij vertrouwt er niet op dat een volwassene geeft wat hij nodig heeft. Het is aan jou de taak om dit in te zien en hierop in te spelen.

 

Een van de grootste uitdagingen zit in het doorzien van moeilijk of lastig gedrag dat het kind uitzendt. We zijn geneigd om te straffen, om het kind de klas uit te sturen, na te laten komen of een andere vorm van uitsluiting. Terwijl wij het kind moeten zien in zijn behoeftes. Herken dat het kind in grote stress verkeerd en dat hij daarbij hulp nodig heeft, ook al duwt hij de volwassene keihard weg. ‘Ik zie dat je heel boos bent, omdat ik zei dat je die opdracht moest maken.’ Benoem de reactie van het kind. Geef er geen oordeel of waarde aan, observeer en geef dat terug. Niet meer, niet minder. Word niet boos, verhef niet je stem, word niet sarcastisch. De emotie en de behoeftes benoemen helpt waardoor hij uiteindelijk leert een andere uitingsvorm te kiezen voor zijn gedrag en gevoelens. Laat vooral in je acties en woorden blijken dat je hem begrijpt.

 

Een kind met een hechtingsstoornis heeft de grootste moeite met het reguleren van zijn emoties. Dit komt doordat in zijn vroege leventje er niet altijd een volwassene beschikbaar was die zijn emoties konden reguleren. Hij heeft al heel jong geleerd om zichzelf te kalmeren. De docent zal samen met het kind moeten werken om deze emoties meer tot rust te brengen in plaats van dat ze hem overweldigen. Samen de emoties aangaan is de eerste belangrijke stap voordat hij in staat is om de emoties zelf te reguleren. Door goed naar het gedrag te kijken en door stress te herkennen vóórdat deze te sterk zijn opgelopen, kunnen escalaties voorkomen worden. Dit geeft zowel voor het kind als voor de docent en voor de rest van de klas veel minder chaos en onveiligheid.

 

Iets wat veel minder zichtbaar is, maar wat op school een belangrijke rol speelt is het zelfbeeld van het kind. Een kind met vroegkinderlijk trauma en hechtingsstoornissen voelt zich minderwaardig en niet goed genoeg. Hij kan zelfs ronduit slecht over zichzelf denken.

Een klein kind denkt nog heel egocentrisch, de wereld draait om het kind. Dit is genetisch bepaald en dit is een levensfase waar alle kinderen doorheen gaan. Alleen een kind met vroegkinderlijke trauma’s en hechtingsproblematiek blijft in vaak in deze fase steken, mede door zijn lagere emotionele leeftijd. Hij denkt dat hetgeen hem is overkomen, ook daadwerkelijk zijn schuld is.

Dus wanneer de docent zegt: “Ga zitten en pak allemaal jullie boek.” Ervaart het kind met een hechtingsstoornis dit als: “ZIT EN PAK JE BOEK!” Hij voelt dit direct als een persoonlijke aanval en hij kan daardoor blokkeren waardoor hij niets meer doet, of hij gaat in de aanval en er ontstaat een discussie. “Waarom moet u altijd mij hebben?”

 

Het kind kan bewust situaties in de klas manipuleren om maar niet teveel betrokken te worden bij activiteiten.

Stel je voor dat iedereen erachter komt hoe dom je bent, dat je misschien wel een fout maakt, dat iedereen je uitlacht. Het kind heeft vaak grote schaamte wat hij probeert te verbloemen door zich terug te trekken, of door juist een grote mond op te zetten waarmee hij hoopt anderen letterlijk weg te duwen, ook al is de uitkomst negatief voor hem.

 

Het kind met vroegkinderlijk trauma en hechtingsproblematiek heeft last van angsten, diepgewortelde angsten die hun oorsprong vinden in zijn eerste levensjaren. Hierdoor heeft hij het gevoel dat hij voortdurend iedereen in de gaten moeten houden. Dit betekent dat hij geen tijd heeft om zich op de lesstof te richten, want een moment van onoplettendheid kan je dood betekenen. Ieder onverwacht geluid, beweging of onvoorspelbaarheid doet het alarmsysteem in het lichaam afgaan. Deze triggers kunnen ervoor zorgen dat het kind zich terugtrekt, of dat het juist de confrontatie aangaat. Hun vecht-, vlucht-, of bevriesmodus gaat om de kleinste gebeurtenis af. Dit gedrag kan lijken op ADHD waardoor deze kinderen soms een verkeerde diagnose krijgen en dus ook de verkeerde behandeling en aanpak.

Probeer de connectie met het kind te vinden. Wanneer je zijn behoeftes benoemt en daadwerkelijk ziet, kan je een escalatie ombuigen.

Trauma’s hebben effect op het brein, dat is algemeen bekend. Dit heeft ook invloed op de leerprestaties en executieve functies van het kind. Hij heeft moeite met dingen herinneren, onthouden, logisch redeneren, concentratie en plannen.

Het plannen heeft niet alleen betrekking op het op tijd afmaken van school- en huiswerk, maar het heeft ook te maken met het plannen van hoe te reageren op situaties en op andere mensen.

 

Benader deze kinderen zo positief mogelijk, ook al vraagt hun gedrag er op dat moment niet om. Sluit aan bij de behoeftes van het kind en loop emotioneel met ze mee. Een kind met hechtingsproblematiek vindt het gemakkelijker om aandacht te vragen door negatief gedrag te laten zien. Het is belangrijk dat hij leert dat hij ook aandacht kan krijgen door positief gedrag. Geef veelvuldig complimenten op het product of op het proces. Zet eventueel een timer om jezelf eraan te herinneren dat je iets positiefs moet benoemen.

 

Op deze manier kan je het kind en de ouders helpen bij het helen van vroegkinderlijk trauma en hechtingsstoornissen. 

Reactie schrijven

Commentaren: 0