Ben ik nu gek?

De ouders van kinderen met een hechtingsstoornis vormen een bijzondere groep ouders van special needs. Deze ouders gaan niet alleen het, soms letterlijke, gevecht aan met hun kind, maar ook figuurlijk met familie, instanties, scholen en de buitenwereld. De zoektocht om iemand te vinden die écht weet waar hij het over heeft, die écht begrijpt wat het kind en de ouders nodig hebben, dat is zoeken naar een speld in een hooiberg.

 

 

Wat heeft deze groep ouders met elkaar gemeen? Dat is dat zij in grote mate twijfelen aan hun eigen opvoedcapaciteiten en -kunde. Ze kennen vrijwel allemaal het gevoel gek te worden. Waarom hebben zij dat zo sterk? Wat maakt het opvoeden van kinderen met een hechtingsstoornis dan zo anders in vergelijking met andere hulpbehoevende kinderen?

 

Het antwoord is, omdat het kind met een hechtingsstoornis naar de buitenwereld zo’n ander gedrag laat zien dan binnenshuis. Andere ouders, familie, vrienden, instanties, scholen en therapeuten zien een heel ander gezicht dan dat ouders, en met name de moeder, ziet. Een kind kan thuis:

-gewelddadig zijn

-liegen

-stelen

-destructief zijn

-provocerende taal gebruiken

 

Wanneer de ouders het water aan de lippen staat en ze hulp of ondersteuning vragen aan anderen, dan worden ze meestal niet begrepen. Het kind is toch lief, zachtaardig, welwillend en bereid tot alle medewerking?

Door trauma’s uit hun vroege jeugd hebben deze kinderen een strategie ontwikkeld die voor hen werkt, die in hun ogen zorgt voor (schijn)veiligheid, een waarbij ze ten allen tijde de controle proberen te houden om de situatie te overleven.

Bij de buitenwereld, maar soms zelfs bij de eigen partner, gedraagt het kind zich anders, waardoor, meestal de moeder, als schuldige wordt bestempeld.

 

“Je bent te streng.”

“Dat doen alle kinderen wel eens.”

“Als je dat nu eens doet zoals ik dat doe, dan zul je zien dat het beter gaat.”

“Als het mijn kind was geweest, dan zou ik het wel weten.”

 

Dit is een greep uit de veelgehoorde adviezen die ouders krijgen. In plaats van dat ze op de gevraagde steun kunnen rekenen, gebeurt het tegenovergestelde. De ouders worden erop aangekeken, wenkbrauwen rijzen, misschien hebben de ouders hulp nodig in plaats van het kind. En wanneer zij dit maar vaak genoeg horen, dan zullen zij daadwerkelijk denken dat zij degene zijn die gek worden. Dat ze gaan twijfelen aan hun eigen visie en vooral aan hun eigen capaciteiten.

 

De waarheid is dat deze groep ouders niét gek is, ze spreken de waarheid, deze kinderen zíjn anders in het bijzijn van een derde. Deze kinderen switchen binnen luttele secondes naar een andere gedrag op het moment dat jij de deur uitstapt en zij met het kind achterblijven. Het gedrag dat het kind laat zien, is overlevingsgedrag, ontstaan uit pure angst. Zij bepalen wat er gebeurt, zij zijn in controle, zij bepalen wie welke kant van hen te zien krijgt, ze duwen mensen die dichtbij staan keihard weg, en dat alleen om veilig te blijven.

Vrijwel alle ouders beginnen met een hart vol liefde, geduld en toewijding aan de opvoeding van deze kinderen, maar velen van hen zijn na enige tijd gestrest, ze hebben een burn-out of ze hebben zelfs ptss (post-traumatische stressstoornis)  ontwikkeld, alleen maar omdat zij het kind zorg, liefde en aandacht willen geven. Deze ouders hebben de steun van anderen keihard nodig om het vol te houden. Alleen liefde is niet genoeg om een hechtingsstoornis te genezen. De ouders en het kind hebben hulp en begrip van de omgeving nodig, deze uitdaging kan niemand helemaal alleen. Wie helpt hen?

 

 

Bron: institute for attachment & child development

Reactie schrijven

Commentaren: 0