Aan de docent van mijn kind met hs

Beste docent,

 

Je hebt een kind met een hechtingsstoornis of vroegkinderlijk trauma in je klas. Naast al je andere taken die je dagelijks hebt, wordt je gevraagd om om te gaan met een kind met heel speciale behoeftes waar je waarschijnlijk weinig vanaf weet of misschien zelfs nog nooit van gehoord hebt. En toch zal dit kind niet de enige zijn met een hechtingsstoornis of vroegkinderlijk trauma. Per klas zullen gemiddeld 5 kinderen zitten met dezelfde aandoening, maar waarvan je het niet weet.

 

Dit kind kan erg beleefd lijken, charmant of zorgzaam waardoor je gaat twijfelen aan de diagnose of aan de verhalen die rondgaan. Heeft dit kind een gedragsprobleem? Je kent ongetwijfeld vele andere leerlingen die voor veel meer problemen zorgen binnen je lessen. Het omgekeerde bestaat ook; agressief, manipulatief, destructief en met ernstige controledrang. Dan zullen je gedachtes minder positief zijn, je kan zelfs een hekel hebben aan het kind, of je geeft de ouders de schuld. Ze moeten hun kind beter opvoeden en strenger aanpakken, dan stopt het vervelende gedrag wel. En ik moet toegeven, dat ik er net zo over dacht, totdat ik leerde over hechtingsstoornissen en vroegkinderlijk trauma.

 

Kinderen met een hechtingsstoornis hebben in hun vroege jeugd een trauma opgelopen. Vandaar dat vroegkinderlijk trauma vaak in één adem met een hechtingsstoornis wordt genoemd. Wanneer in de eerste jaren van het leven, zelfs al vanaf de zwangerschap, niet voldaan is aan de emotionele, psychische en fysieke behoeftes van het kind, kan er een hechtingsstoornis ontstaan.

Dit tekort heeft gevolgen voor de lichamelijke, de cognitieve en de mentale ontwikkeling.

Al vanaf het prilste begin hebben de kinderen geleerd dat een volwassene niet te vertrouwen is, dat een volwassene niet geeft wat een kind nodig heeft. Er is nooit een gevoel van veiligheid geweest, er is nooit of nauwelijks gereageerd op huilen, er is geen eten gegeven wanneer het honger had, er is niet getroost bij stress of pijn. Hierdoor heeft het kind niet geleerd om zijn emoties te reguleren en hierdoor ontstaat geïnternaliseerde woede die zorgt voor het bovenstaande gedrag.  Kinderen met een hechtingsstoornis laten vroeg of laat hun ‘ware aard’ zien. Bij sommige kinderen begint dit al op peuterleeftijd, terwijl bij anderen pas in de puberteit het gedrag naar boven komt.

 

Het woordje ‘nee’ is een enorme trigger. Ze willen de controle houden, zelf hun leven bepalen en daar past een afwijzing niet bij. Dit gedrag lijkt verwend, alsof het kind altijd zijn zin wil en zal krijgen, maar dit komt door het wantrouwen van volwassenen. Verlies aan controle geeft ze het gevoel dat ze de situatie niet zullen overleven. Het kind kan zich niet voorstellen dat iemand iets in het voordeel van het kind zal doen. Ze zien alleen een volwassene die zich tegen hen keert. Geen ‘nee’ accepteren komt voort uit een oerangst, pijn en de eenzaamheid. Een ‘nee’ kan een kind binnen enkele secondes in een overlevingsstand zetten: vechten, vluchten of bevriezen. Op zeer jonge leeftijd was dit een overlevingsstrategie om de wereld overzichtelijk en veilig te houden, alleen is deze strategie nu niet meer nodig en niet handig. Toch kan het jaren duren om dit af te leren en in sommige situaties lukt het afleren helemaal niet meer.

 

Kinderen met een hechtingsstoornis hebben het beste van twee werelden nodig. Aan de ene kant een sterke leider, zodat het zich (relatief) veilig kan voelen, die bepaalt hoe de dingen in de klas gaan en die ervoor kan zorgen dat klasgenoten zich rustig houden. Aan de andere kant een liefdevol persoon die het kind ziet in wat het nodig heeft, die de angst en onzekerheid erkent en iemand die als rolmodel dient.

 

Om ervoor te zorgen dat het kind met een hechtingsstoornis in staat is om te leren en om zich te ontwikkelen, is het noodzakelijk dat ALLE mensen die in contact met het kind komen, op dezelfde en voorspelbare manier werken. Kinderen die zich elders niet veilig voelen, zullen dat thuis ventileren. Agressie, (zelf)destructie, dissociatie, weglopen, terugtrekken, drugs of alcoholmisbruik zijn daar voorbeelden van. Kortom, leerkrachten en docenten spelen een belangrijke rol bij de opvoeding van een kind met een hechtingsstoornis.

Het hele team moet meewerken om het kind zich zo veilig mogelijk te laten voelen, pas dan is het in staat om te leren. Er zijn een aantal strategieën die goed toepasbaar zijn en die voor alle kinderen met mentale problemen werken. Hieronder zal ik ze noemen:

 

1.       Zorg goed voor jezelf. Een kind met een hechtingsstoornis kan alle energie van je kosten. Let op je eigen grenzen en mogelijkheden. Alleen wanneer jij binnen je grenzen en mogelijkheden blijft, kan je er zijn voor een kind met hs.

2.       Liefde en natuurlijke consequenties in plaats van straf of verwijdering van de leerling. Wanneer het koud is en de leerling weigert een jas aan te doen, zeg er niks van en laat het ervaren. Zeg na de pauze: “Je hebt het vast koud gehad.’ Wanneer een kind weigert te leren, zeg: “Je hebt een onvoldoende gehaald op je toets, dat is jammer. Volgende week heb je een nieuwe kans.” Word niet boos, gebruik geen sarcasme en verhef je stem niet.

3.       Kinderen met hs hebben geen of weinig gevoel voor oorzaak en gevolg. Een beloning die bestaat uit materialistische dingen (sticker, cadeautje, diploma), of het straffen door bezittingen weg te nemen, zal weinig tot geen effect hebben. Stickerkaarten of andere beloningssystemen hebben nauwelijks een blijvend resultaat.

4.       Vermijd het geven van straf. Kinderen met hs hebben al zoveel meegemaakt in hun jonge leven dat een weekje corvee of het afnemen van bezittingen weinig indruk maakt. Daarnaast ‘voldoe’ je als docent aan het beeld dat kinderen met hs van volwassenen hebben; je bent niet te vertrouwen. Dat kan de opbouw van enige vorm van relatie in de weg staan.

5.       Creëer een zeer gestructureerde omgeving waarbij de regels nooit veranderen, maar de natuurlijke consequenties worden aangepast op de ontstane situatie.

6.       Gebruik positieve bekrachtiging op het proces of op het product, niet op het kind. Zeg: “Ik zie dat je je huiswerk gemaakt hebt.” Zeg niet: “Wat goed van je dat je je huiswerk gemaakt hebt.” Kinderen met hs zien zichzelf niet als goed, ze vinden zichzelf geen compliment waard en zeker wanneer dit gezegd wordt door een volwassene die niet te vertrouwen is. Bevestig de goede keuzes die het kind maakt en negeer zoveel mogelijk de negatieve keuzes.

7.       Gebruik zoveel mogelijk het woord ‘ja’ in plaats van ‘nee’. “Ja, je mag even op de laptop, zodra je werk af is.” “Ja, je mag de laatste rij sommen overslaan, als je de rest nu afmaakt.” Je geeft het kind hiermee een gevoel van controle, terwijl de verantwoordelijkheid bij het kind blijft op een positieve manier. Ga in geen geval een discussie aan.

8.       Herken de manieren die het kind gebruikt om controle te houden. Onderbreken, veelvuldig vragen om te herhalen wat je zegt, onredelijk vaak naar de wc willen, wiebelen of steeds opstaan, altijd voor de docent of groep uit willen lopen, mompelen of binnensmonds praten, de docent negeren, weigeren huiswerk of schoolwerk te maken, net doen alsof het niveau lager is dan dat het in werkelijkheid is, stelen en liegen.

9.       Daag het kind iets meer uit dan dat het in de klas of tijdens toetsen laat zien. Soms laten ze aangeleerde hulpeloosheid zien om de situatie onder controle te houden.

10.   Blijf te allen tijde kalm. Een kind dat een docent uit zijn tent weet te lokken, heeft de controle over de situatie. De docent niet meer. Wees het rolmodel en laat zien hoe het ook kan.

11.   Houd directe lijntjes met thuis of de instelling waar het kind woont. Ouders en verzorgers zijn een goede bron van informatie over wat hun kind met hs nodig heeft. Daarnaast wil het kind ook hier de controle houden, dus is er een reële kans dat er getrianguleerd wordt tussen school en thuis. Dit betekent dat er thuis een ander verhaal wordt vertelt dan op school en andersom. Hiermee probeert het kind chaos te creëren wat hem weer een gevoel van controle geeft. Het kind kan op school vertellen dat het geen eten krijgt, terwijl het er goed doorvoed uitziet. Of het kind zegt nooit nieuwe kleren te krijgen, terwijl het altijd netjes gekleed is. Houd contact met thuis en controleer wanneer er twijfel is over de verhalen.

12.   Zeker tijdens de puberteit is het maken van huiswerk erg vervelend en lastig. Niet alleen voor kinderen met hs, maar voor vrijwel alle pubers. Wanneer het kind geen huiswerk gemaakt heeft, laat die  verantwoordelijkheid dan ook bij het kind en schuif dit niet door naar huis of naar de ouders. Ten eerste zorgt dit ervoor dat de rolverdeling strikt gescheiden blijft: huis is huis en school is school. Dit biedt veiligheid. Ten tweede moet het kind leren dat schoolwerk de eigen verantwoording is en niet die van iemand anders.

 

Tot slot:

Begrijp dat deze kinderen niet doelbewust erop uit zijn om het leven van de ander zwaar te maken, ook al kan dit zeker zo lijken. Hun brein is geprogrammeerd om gevaar te herkennen, en om te overleven. Ze leven dagelijks in een overlevingsstand met bijbehorende strategieën om zichzelf staande te houden. Deze kinderen hebben, als baby of als heel klein kind, met situaties te maken gehad die zelfs een evenwichtige volwassene mentaal kunnen laten instorten.

Geef het kind een veilige omgeving, waarbij hij kan leren dat de  volwassenen er voor hem zijn. Zie het kind in zijn behoeftes en bekrachtig dit positief in plaats van met straf. En heel langzaamaan kan er dan een omgeving ontstaan waarin het kind in staat is om te leren.

 

Heel veel succes met deze uitdaging. 

Reactie schrijven

Commentaren: 0